We weten dat je ze hebt

Gepubliceerd op: 23 juli 2019 13:49

Mijn collega scheurt de voorpagina van de Volkskrant-bijlage in stukken. ‘Dan niet!’, foetert ze, terwijl ze richting haar kantoor stiert. ‘Dan zal het wel allemaal onzin zijn, maar ik blijf erbij dat jij veel te optimistisch bent!’

Zuchtend raap ik de krantenresten van de grond. Op een van de papiersnippers staat het woord dat de discussie uitlokte nog onaangetast, als een middelvinger die recht voor mijn neus danst: ontlezing.
Het woord lacht naar me, triomfantelijk en vals. ‘Ik ben hier nu de baas’, lijkt het te willen zeggen. ‘Er worden minder boeken gelezen, voornamelijk door jongeren. Punt.’ Mijn collega was van plan te zwichten voor dit nieuwe regime, maar ik weiger me er simpelweg aan over te geven.

Rond een uur of drie ‘s nachts lig ik nog steeds te piekeren in bed. Heeft mijn collega misschien gelijk en zie ik alleen wat ik wil zien? Is het inderdaad een aflopende zaak? Als ik heilig geloof in de literatuur, ben ik dan een naïeve idealist?
Op dat moment klinkt er ineens glasgerinkel. Razendsnel knip ik het licht aan, maar in mijn slaapkamer is niets te zien. Het geluid leek van beneden te komen. Als dit fictie was, had ik nu een honkbalknuppel gepakt. Ik denk aan mijn nieuwe tv, die nog ingepakt naast de open haard staat. Na enig twijfelen sluip ik ongewapend naar beneden.
In de woonkamer is het doodstil. Het is een ongelofelijke puinhoop, maar mijn tv staat er nog. Op de grond liggen mappen, tijdschriften, opengeslagen boeken en mijn autosleutels. Het keukenraam lijkt te zijn ingeslagen.
‘Niet bewegen’, sist iemand net iets te hard in mijn oor. In een reflex draai ik me om en naast me staan twee jongens van een jaar of zestien. De een richt een pistool op me. De ander duwt een vleesmes tegen de keel van mijn kat.
‘Waar liggen ze?’, fluistert de jongen met het pistool. ‘We weten dat je ze hebt, dus houd je maar niet van de domme.’
Ik twijfel of het pistool echt is, maar het vleesmes herken ik als het mijne, dus ik schuifel richting de boekenkast met mijn handen omhoog. Onder luid gemiauw van mijn kat schuif ik de Harry Mulisch-dummy’s opzij, waardoor het zilveren kistje dat erachter staat zichtbaar wordt. De jongen met het pistool duwt me aan de kant en grijpt meteen het kistje. Hij wil het openbreken, maar ziet dat er een cijferslot op zit.
‘Godverdomme… Wat is de code?’
‘1712’, mompel ik met tegenzin.
De jongen lacht. ‘De geboortedag van Giphart. Dat raad je toch meteen, man?’ Hij typt de code in, opent het kistje, ziet wat hij wil zien en slaat me met de achterkant van het pistool (toch een echte) knock-out.
De volgende dag tijdens de koffiepauze vraagt mijn collega waar de nieuwe Volkskrant gebleven is. Met een blauwe oogkas en stralende glimlach leg ik het exemplaar voor haar op tafel. Op de voorpagina prijkt een krantenkop, die ik voor de zekerheid nog even geel gemarkeerd heb. ‘Twee minderjarigen stelen voor € 35 aan boekenbonnen.’