Met het mes tussen de tegels

Gepubliceerd op: 29 augustus 2018 14:09

Zoals elke woensdagmiddag wandel ik in mijn pauze een rondje door het City Centrum. Banaan etend steek ik het Minneveld over, om vervolgens linksaf te slaan richting de winkels rond het Meiveld.

Het regent zachtjes, dus ik wandel stevig door, maar wanneer ik de Rabobank nader blijf ik even stilstaan om te verwerken wat ik zie. Een Vietnamese jongen in pak zit met een aardappelschilmesje onkruid tussen de stoeptegels vandaan te halen.
De jongen heeft me niet in de gaten, dus ik kan ongestoord zijn techniek observeren. Hij zet veel kracht, maar toch komt het onkruid moeilijk los. Bij elke haal tussen de tegels komt er wat zand mee. Waarschijnlijk is het mesje aan de botte kant. Ik aarzel even en schraap dan mijn keel. De jongen veert ‘godverkut’-mompelend op.

‘Sorry dat ik je stoor, maar mag ik je iets vragen?’
De jongen schudt zichtbaar geïrriteerd zijn hoofd.
‘Dat is meteen de domste vraag die je kunt stellen.’
Ik lach voorzichtig.
‘Hoezo?’
‘Omdat dat al een vraag is, ‘mag ik je iets vragen?’. Je doet op dit moment al wat je vraagt te mogen doen, dat is toch idioot?’
Ik realiseer me tot mijn spijt dat hij gelijk heeft, maar doe net alsof ik niet uit het veld geslagen ben.
‘Wat doe je voor werk?’, vraag ik oprecht geïnteresseerd.
De jongen kijkt me wederom aan alsof ik ze niet allemaal op een rijtje heb.
‘Ik haal het onkruid tussen de stoeptegels vandaan.’
‘Ja, dat zie ik’, zeg ik lachend, ‘maar ik bedoel wat je normaal doet. Op kantoor waarschijnlijk’, verduidelijk ik door naar zijn pak te wijzen.
De jongen legt zijn aardappelschilmesje neer en zucht ongeduldig.
Dit is mijn werk. Veertig uur per week, al drie jaar lang. Ik haal elke dag bij een ander Rabobank filiaal het onkruid tussen de stoeptegels vandaan en krijg daar achtendertig euro veertig per uur voor. Na mijn studie Bedrijfseconomie ben ik stage gaan lopen op de parkeerplaats van een plaatselijke hypotheekadviseur en zo ben ik erin gerold.’

Ik kijk hem vol ongeloof aan, maar de jongen wendt zijn blik af. Hij raapt het aardappelschilmesje weer op en gaat onverstoorbaar verder met zijn werkzaamheden. Na enige aarzeling besluit ik om hem een fijne middag te wensen en door te lopen. De jongen heeft inmiddels alweer een halve stoeptegel van onkruid ontdaan. Hij wenst me geen fijne middag terug.

Als ik halverwege het Meiveld ben hoor ik ineens van dichtbij iemand om hulp roepen. Wanneer ik me omdraai zie ik de jongen in het pak met een bezemsteel achter een bejaarde vrouw aan rennen. ‘Sodemieter op, geschift wijf’, schreeuwt hij, ‘ga aan iemand anders vragen wat hij voor werk doet!’
De bejaarde vrouw loopt met een stok en is niet snel genoeg om de zwaaiende bezemsteel te ontwijken. Het uiteinde knalt tegen haar hoofd en ze verliest haar bewustzijn. De jongen lost nog een salvo aan scheldwoorden. Hij springt bovenop haar en trapt met zijn zwartgelakte puntschoen de bril van haar hoofd. Omstanders proberen hem van de vrouw af te trekken, maar de jongen blijft haar roekeloos schoppen. Misschien heeft hij gewoon het verkeerde beroep gekozen.