Lieve Nina, kom je snel terug?

Gepubliceerd op: 30 april 2018 11:40

Het is rustig op de jeugdafdeling. Een moeder leest haar dochtertje voor uit 'Ik zie je graag' van Emile Jadoul. Het boek gaat over een poes en een vis, die elkaar bijzonder lief vinden. Wanneer het verhaal is afgelopen, neemt de moeder haar 5-jarige dochtertje op schoot.

“Kan dat wel, Nina, een poes en een vis?”

Het meisje kijkt haar moeder aan en lacht haar uit.

“Natuurlijk kan dat, ze zijn toch verliefd?”

De moeder glimlacht en geeft geen antwoord. Ze aait haar dochter over haar goudblonde haren. Het meisje pakt het boek vast en kijkt naar de tekening op de achterkant. De poes en de vis rijden op een brommertje door de duinen.

“Weet je wat ik denk, mama”, zegt Nina stellig, “ik denk dat iedereen wel een beetje verliefd is op iemand.”

Het meisje gaat verzitten en kijkt me plotseling recht aan. Ik leg de puzzels die ik aan het opruimen ben neer, loop naar haar toe en ga op mijn hurken naast haar zitten.

“Mag ik jou een geheimpje vertellen?”

Nina’s ogen beginnen te twinkelen. Ze zegt niks, maar knikt opgewonden met haar hoofd. Ik fluister in haar oor dat er iemand is die ik zo lief vind dat ik soms niet eens kan slapen.

“En zelfs als ik slaap, droom ik over haar.”

Het meisje kijkt me stralend aan.

“Hoe heet ze?”, vraagt ze zacht. Ik twijfel even, kijk weg en zie verderop mijn collega door het gangpad flaneren. Op haar zwarte jurk staan hartjes. Ik draai mijn hoofd terug, haal diep adem en fluister dan vol overgave de naam die me al maanden doet gloeien van verlangen. Nina glimlacht teder.

“Heel mooi”, zegt ze, terwijl ze goedkeurend knikt.

“Tegen niemand vertellen, hè”, zeg ik weer op normaal volume. Nina schudt bijna beledigd haar hoofd en draait haar mond op slot met een onzichtbaar sleuteltje. Als alles veilig is afgesloten, gooit ze het sleuteltje met een sierlijke zwaai onder de puzzelkast.

Wanneer ze buiten over het Minneveld loopt, zwaai ik vanachter het glas naar Nina. Ik leg mijn wijsvinger tegen mijn lippen en hoop tegelijkertijd dat ze haar belofte zo snel mogelijk breekt. Ik hoop dat ze het haar moeder vertelt, haar vader en al haar klasgenootjes. Ik hoop dat ze het op straat rondschreeuwt, de krant belt en eist dat haar exclusief verkregen nieuws op de voorpagina verschijnt.

Als moeder en dochter uit het zicht verdwenen zijn, weet ik honderd procent zeker dat ze geen van dat allen gaat doen. Ik ga op mijn knieën zitten en voel onder de puzzelkast. Wanneer ik het sleuteltje gevonden heb, stop ik het veilig in mijn borstzakje. Mijn hart gaat dusdanig tekeer dat het er bijna meteen weer uit trilt. Ik hoop dat Nina zo snel mogelijk terugkomt.