Het kleine, grote kunstwerk

Gepubliceerd op: 29 mei 2019 13:07

Een man die op Karel Appel lijkt, bladert aandachtig in een boek over expressionisme. Het is een beetje een vreemd gezicht. Alsof Sneeuwwitje zich verdiept in 'Beter slapen in 7 stappen'.

Karel Appel duwt zijn bril wat rechter op zijn neus en knikt goedkeurend naar de afbeeldingen in het boek. ‘Keurig’, mompelt hij net iets te hard. ‘Keurig gedaan.’
Zo onopvallend mogelijk probeer ik de man te passeren, wat niet meevalt aangezien hij midden in het gangpad staat. Op het moment dat ik hem net voorbij denk te zijn, grijpt hij me bij mijn arm.
‘Weet jij iets van kunst?’, vraagt hij langzaam, met zijn blik nog steeds op het boek gericht. Ik lach wat ongemakkelijk en schud mijn hoofd.
‘Ik ben bang van niet.’

Een tijdje geleden was ik voor het eerst in het Rijksmuseum. In een zaal vol Aziatische beeldhouwwerken keek ik mijn ogen uit. Niet zozeer omdat ik een liefhebber van Aziatische beeldhouwwerken ben, maar meer vanwege de honderden mensen die zich eromheen verzamelden. Duwen, trekken en foto’s maken. Vooral heel veel foto’s maken.
In een hoek van de zaal zag ik plotseling een klein jongentje op een houten bank zitten. Hij was alleen en zat te tekenen. Het jongentje leek net als ik geen liefhebber van Aziatische beeldhouwwerken. Hij had enkel oog voor zijn potlood en papier.
Iets in mij wilde op dat moment een aanslag plegen. Een aanslag op het fotograferende publiek welteverstaan. Ik wilde boven op de gigantische boeddha springen en hen toeschreeuwen dat ze er helemaal naast zaten. Dat ze foto’s maakten van het verkeerde. Dat niets op aarde interessanter is dan de mensen zelf. Als iets in deze zaal het predicaat ‘kunst’ verdiende, was het dit kleine, tekenende jongentje.

Uiteindelijk sprong ik niet op de boeddha, maar ging ik naast het jongentje op de bank zitten. Een stevige vrouw met een stevige spiegelreflexcamera knipte foto’s van letterlijk alles dat in de vitrines stond. Ik vroeg me af wat ze met de foto’s ging doen. Hoe vaak ze ze nog zou bekijken na vandaag en of ze het nageslacht erover zou vertellen. ‘Deze is inderdaad wat onscherp, maar gelukkig hebben we er nog achthonderdveertien.’
Enigszins voorzichtig keek ik op het kladblok van het jongentje. Tot mijn verbazing zag ik ook daar de vrouw met de spiegelreflexcamera. Het jongentje trok de lijnen in opperste concentratie. Eigenlijk wilde ik hem niet storen, maar ik vroeg het toch.
‘Die mevrouw daar, weet je waarom die foto’s maakt?’
Het jongentje legde zijn potlood neer, keek naar de vrouw die hij sprekend had nagetekend en vervolgens naar mij. Terwijl de beeldhouwwerken om ons heen om aandacht schreeuwden, fluisterde hij in mijn oor.
‘Ik denk omdat ze niet kan tekenen.’