Het Hongaarse circus

Gepubliceerd op: 30 mei 2018 11:33

Het is een buitengewoon rustige woensdagavond in mei. Een mevrouw rekent haar afgeschreven boek af aan de balie. ‘Mag ik jou iets vragen?’, zegt ze tijdens het zoeken naar een muntje van vijftig cent. ‘Die columns die jij altijd schrijft, is alles wat daarin staat nou waargebeurd?’

Op dat moment klinkt er een enorme knal, gevolgd door hevig glasgerinkel. Een touringcar rijdt op volle snelheid door de voorgevel naar binnen, niet geremd door de glazen pui en dwars door de kast met bouquetromans heen. Uit de bus springen zeker veertig Hongaarse circusartiesten, die zich rennend en schreeuwend door de bibliotheek verspreiden. Als bezetenen trekken ze overal boeken uit de kast.

De chauffeur van de bus krabbelt op vanachter zijn stuur en haalt een automatisch wapen uit een koffer. Hij kijkt woest uit zijn ogen en schiet bij wijze van waarschuwing een aantal keer in het systeemplafond. De vrouw die aan de balie staat gilt, springt over mijn computer heen en verstopt zich tussen de Boekstart-koffertjes achter de VVV-balie. Ik breng snel de boeken van Brusselmans in veiligheid en probeer de uitzinnige Hongaren te kalmeren. Naast het vernielen van boeken en dvd’s sleuren ze nu ook hele kasten om. Een kleine vrouw op leeftijd schrijft met lippenstift Latijnse Bijbelteksten op de vloer. In het invalidentoilet trekken twee jongens de wasbak van de muur.

Uit het laadruim van de bus komen drie accountmanagers tevoorschijn. Ze zijn strak in pak gekleed en blijken Nederlands te zijn. Een van hen trekt een rolletje druivensuiker open en eet het in één keer leeg. Hij maakt een koprol, doet het geluid van een berggeit na, trekt zijn broek omlaag en springt op het reuzenkonijn. De andere twee stappen gedecideerd op de kast met B-boeken af. ‘De Griezelbus reed op diesel!’, roept een van hen, terwijl hij de kartonnen Griezelbus van Paul van Loon van de kast slaat. ‘Mijn hele jeugd was een leugen!’, roept de ander, terwijl hij de bus op de grond vertrapt.
Ineens gaat de deur van de lift open. Uit de cabine stapt André Hazes junior. Hij drinkt een glas Pisang Ambon leeg, geeft over in de bak met bladmuziek, klimt op de voorleesstoel en roept naar ons dat we moeten leven. ‘Alsof het je laatste dag is!’, voegt hij er stellig aan toe. Op dat moment schiet de Hongaarse buschauffeur hem door zijn hoofd.

Wanneer ik een van de kasten recht probeer te zetten, wordt er door het open raam een jong zebraveulen naar binnen gegooid. Het lijkt verder niemand op te vallen, dus het dier krijgt weinig aandacht. Een groepje van zes koorddansers is inmiddels op een omgevallen tafel gaan staan. Ze trekken elkaars ledematen los en proberen deze zo ver mogelijk weg te gooien. Ik buk voor een scheenbeen, dat hard tegen de koffieautomaat knalt. Het apparaat schrikt ervan en zet een dubbele espresso. De buschauffeur is inmiddels in de weer met explosieven. Als het hem niet lukt de lonten aan te krijgen, steekt hij zichzelf in brand.

Uit de oplaaiende vlammen komt een nieuwe gedaante tevoorschijn. ‘Ik ben een goochelaar’, zegt hij in het Hongaars, met Nederlandse ondertiteling. De goochelaar neemt zijn hoed van zijn hoofd, stopt er een konijn in en in één klap is alles weer zoals het was voor de enorme knal. Als het stil blijft, komt de vrouw vanachter de VVV-balie omhoog. Om haar te kalmeren bied ik haar de dubbele espresso aan.

‘Oh ja’, zeg ik, terwijl ik een paar bouquetromans van de grond raap, ‘om even terug te komen op uw vraag, mevrouw. Ik vind het moeilijk daarop een antwoord te geven, maar laten we het houden op ‘bijna alles’.’